De geschiedenis van Cuba,

 

 

                                                                                  1492

Christoffel Columbus ontdekte Cuba op 28 oktober 1492. Cuba werd toen al duizenden jaren bewoond. Hij noemde de bewoners Los indios, omdat hij dacht in Azië terecht te zijn gekomen. Zo’n 20 jaar later arriveerden de veroveraars. Ze ontdekten goud in de bergen en de inheemse bevolking werd gedwongen tot slavernij. Vanuit Haïti arriveerde de grote indiaanse strijder Hatuey en zijn strijders. Hij werd achtervolgd door Diego Veláquez. Hatuey en zijn gevolg werden gevangen genomen en veroordeeld tot de dood.

 

                                                             

                                                                                  1511

Veláquez stichtte vanaf 1511 de eerste 7 steden van Cuba, Baracoa, de eerste hoofdstad, Santiago, de tweede hoofdstad, Bayamo, Camaqüey, Trinidad, Sancti Spíritus en Havana  (Havana lag toen nog aan de zuidkust, en is in 1519 verplaatst naar de noordkust) De rest van de bevolking werd gedwongen tot slavernij, velen van hen maakten een eind aan hun leven door middel van zelfmoord, dat liever dan te leven als een slaaf. De voorraden goud in de bergen raakte snel op, daarom trokken de veroveraars naar andere landen, zoals Mexico en Peru. De schatten, die via Cuba vervoerd werden naar Spanje, trokken vele piraten aan.

 

 

                                                                                 1522

De Afrikaanse slaven komen aan in Cuba, voor het werk op de suikerrietplantages. Suiker was de toekomst voor Cuba. De Afrikaanse slaven bleven hun geloof trouw en om hun goden  te kunnen vereren zonder beschuldigd te worden van ketterij, verhulden ze hun goden in de gedaanten van Christelijke heiligen. Zo werd bijvoorbeeld Chango, de god van vuur, donder, passie en dans de heilige Barbara. De vermenging van Afrikaanse goden en het Katholicisme word Santeria genoemd. Een geloof wat nog steeds sterk aanwezig is.

 

 

 

                                                                                 1530

Havana werd de belangrijkste haven voor de Spaans - Amerikaanse scheepvaart. In de straatjes van Havana en Santiago werden kroegen, herbergen en bordelen geopend.

De Spanjaarden die zich op Cuba gevestigd hadden, namen behalve hun taal, kleding, geloof, bouwwerken en wetten, ook hun bisschoppen en de inquisitie mee.

 

                                            

                                                                                 1789

Franse boeren vluchten na een slavenopstand in Haïti naar Cuba. Dit zorgt voor een opleving in de suikerindustrie.

Rond 1820 is Cuba de grootste exporteur van suiker ter wereld.

                                            

 

                                                                                 1868

In 1868 tot 1878 begint de eerste onafhankelijkheids oorlog, onder leiding van Carlos Manuel de Céspedes. Hij bevrijde zijn slaven en riep medestanders op strijdt te voeren tegen de Spaanse heerschappij.                  

Dit had tot gevolg dat tussen 1870 en 1886 de slavernij op Cuba word afgeschaft. En de Amerikanen beginnen te investeren in Cuba.

 

 

                                                                                  1895

De tweede onafhankelijkheids oorlog begint in 1895, ditmaal onder leiding van José Martí, een schrijver, geleerde en vrijheidsstrijder. Zijn doel was een vrij Cuba zonder rassenscheiding en zonder een groot verschil tussen rijk en arm. Hij sneuvelde bij het eerste gevecht en Antonio Maceo nam het over. 

Winston Churchill reisde af naar Cuba en versloeg deze oorlog voor de Londense Daily Graphic toen hij als oorlogscorrespondent werkte.

 

 

                                                                                  1898

In het begin van 1898 stonden de Spanjaarden op het punt zich terug te trekken, maar Amerika had alles op de voet gevolgd. Cuba speelde een belangrijke rol in de Amerikaanse belangen. Vele waren bang dat als Cuba onafhankelijk zou worden ze zich hier niets meer van aan zouden trekken.

De Amerikanen mengden zich in de oorlog toen op 15 februari 1898 een Amerikaans schip “de Maine” dat in de haven van Havana lag, ontplofte. Het schip was naar Cuba gestuurd om in geval van nood Amerikaanse burgers te evacueren.

Bij deze ontploffing overleden 262 mensen. Amerika gaf de schuld aan de Spanjaarden, en president Mc Kinley verklaarde de oorlog aan Spanje. Een invasiemacht onder leiding van generaal William Shafter ging naar Cuba. De Spanjaarden werden tijdens de slag om de San Juan heuvel verslagen. En terwijl de Spanjaarden al op het punt stonden te vertrekken, en de Cubaanse strijders het meeste werk hadden geleverd, trok Amerika alle eer over deze overwinning naar zich toe. De Amerikanen hielden een overwinningstocht door de straten van Santiago waar de Cubaanse strijders niet aan mee mochten doen.

Amerika had het Platamendement aangenomen, wat betekende dat ze na de oorlog niet de macht over Cuba op zouden eisen. Maar in plaats van het overdragen van het bewind, stelde de verenigde staten een militair bestuur in. Weer werd  de ene koloniale meester vervangen door de andere.

 

 

                                                                                  1901

In 1901 stemde het Amerikaanse congres erin toe dat de Amerikaanse troepen terug getrokken zouden worden, maar dan moesten de Cubanen het Platamendement in hun grondwet opnemen. Hierdoor had Amerika ten allen tijde het recht in te grijpen in Cuba, ook kreeg Amerika het vetorecht over Cubaanse buitenlandse leningen en handelsverdragen. Er werd grondgebied afgestaan voor de huur van een marinebasis aan de baai van Guantánamo. Het Platamendement leidde op heel Cuba tot rellen.

 

                                                                                  1902

Cuba”s eerste president Tomás Estrada Palma tekende het Platamendement met tegenzin.

De Amerikanen vertrokken in mei 1902. Deze periode werd pseudo-onafhankelijkheid genoemd. Van de sociale hervormingen waar Marti van had gedroomd kwam er niet één uit.

De periode werd gekenmerkt door politieke corruptie, onderdrukking van het volk en het regelmatig ingrijpen van Amerikaanse mariniers om de Amerikaanse belangen veilig te stellen.

De republiek werd tussen 1902 en 1933 bestuurd door presidenten die de verkiezingen manipuleerden.

 

                                                                                  1914

Vanwege de eerste wereldoorlog ontstond er suiker schaarste in Europa. Hierdoor leeft Cuba op. Cubanen en (vooral) Amerikanen gingen investeren in de uitbreiding van suikerplantages. De Amerikanen kochten de helft van de suikerfabrieken op en de andere helft werd opgekocht door een kleine groep Cubaanse elite.

Grote delen van de Cubaanse natuur verdwenen om plaats te maken  voor de suikerplantages. Het verdiende geld werd weggesluisd naar Amerika. Dit noemt men de miljoenendans.

In 1920 herstelde de suikerteelt zich in Europa en de prijs van suiker daalde.

 

                                                       

                                                                                  1924

De macht was in handen gekomen van Gerardo Machado y Morales, zijn bijnaam was “de slachter” hij wist tot 1933 de macht te behouden door gemanipuleerde verkiezingen, moord, censuur, deportatie en door zijn geheime politie de Porra. Zij voerde terreur tegen iedereen die zich verzette. Begin jaren 20 ontstond verzet van studenten, arbeiders en intellectuelen. In 1925 werd de Cubaanse Communistische partij gesticht onder leiding van Antonio Mellas.

 

 

                                                                                  1929

De opbrengst van suiker daalde toen de beurs van Wall Street instortte, dit had ernstige gevolgen voor Cuba. Op het platteland heerste hongersnood en de werkeloosheid steeg. Er ontstonden spanningen onder de bevolking. Machado gebruikt geweld om deze te onderdrukken.

De nieuwe President van Amerika, Roosevelt, eiste dat Machado af zou treden.  Een groep van anti Machado officieren maakte zich meester van het militaire hoofdkwartier. Machado vluchtte naar Florida en zijn beulen werden door de bevolking vermoord.

 

                                       

                                                                          1933/1935

Carlos Manuel de Céspedes zoon van de leider van de 1e onafhankelijkheidsoorlog werd benoemd tot president, maar kon het tij niet keren.

Vooral de studenten eisten hervormingen. Op 4 september 1933 werd een staatsgreep gepleegd. Er werd een junta ingesteld van 5 man met als leider Fulgencio Batista. In het begin zocht hij toenadering met politieke partijen en maatschappelijke groeperingen en daarom had men de hoop dat Cuba democratischer zou worden. Maar Batista ontpopte zich later als een grote dictator.

 

                                 

                                                                                  1940

Batista kwam aan de macht door de presidentverkiezingen te winnen. Hij vertrok van 1944 tot 1952 naar Mexico maar hield al die jaren de touwtjes in handen door zijn marionetten te laten regeren.

   

                                                                                   1952

Batista keert terug naar Cuba en komt zonder bloedvergieten volledig aan de macht met behulp van het leger. Fidel Castro, toen nog advocaat dient een klacht in. Meyer Lansky ( “de joodse peetvader” en “boekhouder van de maffia”)wordt door Batista aangesteld als persoonlijk adviseur, en Batista vraagt hem om de casino-industrie te leiden en het toerisme te stimuleren. Het was een tijd van corruptie en zwendelpraktijken. Vele miljoenen werden op Batista’s Zwitserse bankrekening gestort. Amerikaanse miljonairs, gokkers en maffiosi trokken naar Cuba om alles te kunnen doen wat thuis verboden was, waaronder het gebruik van alcohol, gebruik van drugs en gokken.

De praktijken van Batista’s geheime politie gebeurden ondertussen steeds meer in het openbaar. De gemartelde lijken van de tegenstanders werden aan lantarenpalen gehangen als waarschuwing voor iedereen die zich wilde verzetten.

Cuba was aan de ene kant een eiland van plezier voor de toeristen en aan de andere kant voor de Cubanen een eiland vol corruptie, gevaar voor de geheime politie en veel daklozen.

 

 

                                                         

                                                                                     1958

Lansky opende zijn eigen hotel aan de malecon in Havana. In 1958 nam de gokcommissie van las Vegas het besluit dat het voor houders van een gokvergunning verboden was zaken te doen in Havana, omdat dat Las Vegas erg te lijden had onder het succes in Havana.

Een aantal trok zich terug. Lansky en anderen besloten te blijven. Ze hadden de dreiging van de revolutie aan de Oostelijke provincie onderschat.

                                                          

 

                                    Zie ook “de revolutie