De revolutie, Terwijl in Havana het (voor sommige) vrolijke leventje
doorging, kreeg de revolutie op het platteland en in de sloppenwijken meer
en meer gestalte. Vele Cubanen
leefden in armoede, hadden geen elektriciteit, stromend water, toegang tot
de gezondheidszorg zorg en onderwijs. Eén vierde van de mannen was
werkeloos en een kwart van de volwassene Cubanen was analfabeet. Fidel Alejandro
Castro Ruz, een jonge advocaat,
wilde door middel van een gewapende opstand Batista verdrijven. Op 26 juli 1953 voerde
Castro en 125 van zijn mannen een aanval uit op de Moncada kazerne in
Santiago de Cuba. Ze wilden een massale opstand van het volk uitlokken.
Maar ze werden door het leger van Batista verslagen. Deze aanval wordt
gezien als het officiële begin van de revolutie. Drie rebellen sneuvelden
en 68 werden doodgemarteld of geëxecuteerd. De overige rebellen waaronder
Fidel Castro, ontsnapten en hielden zich schuil in het Siërra Maestra gebergte.
Tijdens een klopjacht werden ze gevangen genomen. De officier, Luitenant
Sarría had sympathie voor de ideeën waar de rebellen voor vochten en Fidel
werd naar de plaatselijke gevangenis gebracht. In een militaire gevangenis
zou hij zeker zijn geëxecuteerd. Jaren later werd deze officier Castro”s
persoonlijke lijfwacht. Batista zat met een
probleem, hij had Fidel kunnen laten executeren maar zou dan de opstand van
het volk aangewakkerd hebben. In plaats daarvan begon hij een proces tegen
Fidel Castro. Fidel Castro
verdedigde zichzelf en hield een 4 uur lang een pleidooi. Dat maakte diepe
indruk op de Cubaanse samenleving. Hij vroeg om herstructurering van de
overheid, het invoeren van algemeen onderwijs en agrarische hervormingen. Hij eindigde met de
woorden “Veroordeel mij als u wilt, de geschiedenis zal mij vrijspreken”
Hij werd veroordeeld tot
15 jaar gevangenisstraf. Castro had, net als andere politieke gevangenen,
vele privilege”s in de gevangenis op het
Isla de los pinos. Hij las de werken van Karl Marx, en José Martí.
In 1954 werd in de gevangenis, de beweging van de 26e juli
(moviement 26-7) opgericht. Castro werd op 15 mei 1955 samen met andere
medegevangenen vrijgelaten, ( na minder dan twee jaar gevangenisstraf) in
verband met een algemene amnestie. Fidel, zijn jongere broer
Raúl en een aantal van hun
kamerdaden vertrokken naar Mexico, omdat ze in Cuba geen politieke
activiteiten mochten uitoefenen. Daar ontmoete Fidel de
jonge Argentijnse arts Ernesto “Che”Guevara. Dit was het begin van een
lange vriendschap. Op 25 november 1956
vertrokken Fidel, Raúl Che en 80 anderen naar Cuba om hun strijd voort te
zetten. Ze hadden een oud jacht gekocht, de eerste eigenaar had het Granma
(naar zijn Oma) vernoemd. Dit werd later de naam van de krant van de
communistische partij. De revolutionairen landde, zeeziek na een paar dagen
op een woeste zee, op 2 december in de golf van Guacanayabo, 160 kilometer
ten westen van Santiago. Omdat ze te laat aan land
kwamen was hun eerste plan mislukt. Het was de bedoeling om Frank País bij
te staan die een opstand in de Stad Santiago leidde. Deze opstand werd in
een paar uur neergeslagen. De revolutionairen moesten dekking zoeken in het
Siërra Maestra gebergte. Onderweg naar het gebergte werden ze aan gevallen
door Batista”s leger. Een tiental werd gevangen genomen en ongeveer
driekwart werd gedood. Tot de overlevenden behoorde Castro, Raúl en Che. De
overgebleven revolutionairen kregen hulp van boeren. Op het hoogste
gedeelte van de Siërra Maestra werd de basis van hun rebellenleger gelegd.
Vilma Espín was een van de eerste die zich aansloot. Ze is later getrouwd
met Raúl en richtte in 1960 de Cubaanse vrouwenorganisatie op. De rebellen schuilden in
de bergen vanwege te weinig mannen en wapens, hierdoor konden ze weinig
actie ondernemen. Ze hadden de
steun van de boeren nodig. Er werd een voorlopige regering uitgeroepen, ze
publiceerden blaadjes met hun ideeën en openden scholen en ziekenhuizen in
alle “bevrijde”gebieden. Batista verspreide het
gerucht dat Fidel Castro was gedood. Om te bewijzen dat dit niet zo was
smokkelden de revolutionairen de Amerikaanse journalist Herbert Matthews,
die journalist was van The New York Times, naar hun kamp. Matthews interviewde Castro en schreef
een lovend verhaal. Het verhaal werd gepubliceerd maar Batista zei dat het
verzonnen was. Een aantal dagen later publiceerde The New York Times een
foto van Matthews die samen met Castro een pijp rookt. Castro en zijn mannen
gingen samen werken met de verzetsgroepen die in de steden actief waren,
waaronder het Revolutionair directoraat van de studenten. Op 13 maart 1957
vonden de studenten dat het tijd was in te grijpen. Ze vielen het presidentiële paleis van
Batista aan en een andere groep overviel het radiostation. Maar de meeste
studentenleiders werden opgepakt en gedood. Batista nam
represaillemaatregelen die niet werkten, de ontevredenheid in het leger
groeide. In juli1957 werd een nationale staking aangekondigd ter
ondersteuning van de rebellen. In september begon marine personeel in de
haven van Cienfuegos te muiten. In augustus 1958 veroverde Castro het
gebied rond Santiago, Raúl de Sierra del Cristal, En Che veroverde de stad
Santa Clara vlak voor het nieuwe jaar. De revolutionairen hadden Batista”s
leger verslagen en zij vluchtten weg richting het westen. Batista vluchtte
na middernacht op oudejaar avond met een vliegtuig naar de Dominicaanse
republiek en daarvandaan naar Florida. De volgende dag werd er
overal feest gevierd in de straten van Cuba, Batista was verslagen. Op 1 januari vertrok de
32 jarige Fidel met zijn kameraden voor een triomf tocht door Cuba. Op 8
januari kwamen ze in Havana aan waar tienduizenden blije mensen hen
opwachtten. In Havana hield Castro
zijn eerste overwinningstoespraak waarbij witte duiven losgelaten werden,
een van die witte duiven lande op zijn schouders, voor vele het bewijs dat
dit de verlosser was van de onderdrukten. De revolutie werd overal
geprezen. Zelfs door de Amerikaanse regering en president Eisenhouwer.
Meyer Lansky vluchtte naar de Bahamas met zijn gok imperium. Hij loofde een
beloning uit voor degene die het lukte Castro te vermoorden. In de lente van 1959 riep
Castro zich uit tot de nieuwe minister president van Cuba. Che werd
president van de bank en kreeg de leiding over agrarische hervormingen. Beulen en moordenaars die
werkten voor Batista werden veroordeeld, gevangen gezet of geëxecuteerd. Er
werd beslag gelegd op Amerikaanse bezittingen en men nationaliseerde alle
buitenlandse bedrijven dit om een einde te maken aan de Amerikaanse
controle van het eiland. Het privé eigendom van land werd aan banden
gelegd, rassendiscriminatie werd verboden, men bouwde woningen voor de
armste, maakte de gezondheidszorg gratis en zo ook het onderwijs en er kwam
een nieuwe politiek voor landbouw, veeteelt defensie sport en cultuur. Door de verdeling van
rijkdom gingen de armen er op vooruit, maar de midden en hogere klasse
gingen er op achteruit. Zij besloten Cuba te ontvluchten.







